Kees Nagtegaal

Twintigste-eeuwse vluchtelingen in Nederland: cases, dimensies en patronen. Een analyse van het Nederlandse vluchtelingenbeleid in de twintigste eeuw

Vluchtelingenbeleid is een belangrijk onderwerp in de Nederlandse politiek. De oppervlakkige beschouwer zou kunnen denken dat het met name de laatste twee decennia van groot belang is geweest en dat het daarvoor geen rol heeft gespeeld in de Nederlandse politiek. Niets is minder waar. Als sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, toen een miljoen Belgische vluchtelingen de Nederlandse grenzen overstaken, is vluchtelingenbeleid een belangrijk politiek onderwerp. Het toenmalige beleid was gebaseerd op de uit 1849 stammende vluchtelingenwetgeving. De Nederlandse overheid diende op basis van deze wetgeving beleid uit te voeren. De ervaringen van de Nederlandse overheid met vluchtelingen(-crises) sinds 1914 hebben telkens geleid tot een reeks van aanpassingen in wetgeving en beleid. Deze aanpassingen leidden uiteindelijk tot de huidige wetgeving die dateert uit 2000.

In het kader van het proefschrift wordt het Nederlandse vluchtelingenbeleid in de gehele twintigste eeuw, aan de hand een aantal vluchtelingencrises: 1914, 1933-1940, 1948, 1956, 1968, 1980, 1992-1995, onderzocht. Centraal staat hoe de Nederlandse overheid reageerde op deze crises. Welke maatregelen werden getroffen op welke gebieden (juridisch, beleidsmatig en organisatorisch) en welke argumenten werden gehanteerd bij het vaststellen van dit beleid. Onder andere wordt onderzocht of er verschillen bestaan bij de vaststelling en uitvoering van het beleid tussen de diverse coalitieregeringen in de twintigste eeuw.

De positie van de vluchteling wordt geplaatst binnen de metafoor van het ‘sociaal contract’ waarbij binnen een gemeenschap normen en waarden gehanteerd worden die impliciet of expliciet zijn vastgesteld. Deze normen en waarden worden (impliciet) gebruikt als toelatingscriteria voor vluchtelingen op het moment dat een overheid beslist over toelating tot de nationale gemeenschap. Deze normen en waarden beheersen tevens de discussies die zowel in de politieke arena als in de maatschappij zelf worden gevoerd.

De positie van de overheid van het ontvangende land - Nederland - wordt geplaatst in een kader waarbij soevereiniteit een rol speelt. In hoeverre is een regering vrij in het bepalen van de kaders - met criteria gebaseerd op normen en waarden, zowel impliciet als expliciet in wetgeving en verdragen - van het vluchtelingenbeleid? Sinds 1945, na de totstandkoming van een internationaal systeem van (mensenrechten-)verdragen en de mede daarop gebaseerde nationale wetgeving, is de ‘speelruimte’ van overheden om eigen onafhankelijk nationaal beleid vast te stellen beperkt.

De overheid staat voor een ingewikkelde taak: zorg voor eigen burgers en zorg voor vluchtelingen die, mede op grond van verdragen en wetgeving, toegang tot het nationale grondgebied en de Nederlandse samenleving verzoeken. Deze twee belangen en taken kunnen met elkaar botsen en dwingen de overheid tot soms moeilijke keuzes. De vraag van vluchtelingen toegelaten te worden, wordt soms als een bedreiging gezien. In het onderzoek wordt deze dreiging aan de hand van de eerder genoemde normen en waarden nader uitgesplitst en onderzocht. Uiteindelijk zullen de resultaten hiervan duiding geven aan de opstelling van de diverse kabinetten en de wijze waarop de Nederlandse overheid haar vluchtelingenbeleid in de twintigste eeuw vorm heeft gegeven.

Prof. dr. Jouke de Vries

Prof. dr. Jouke de Vries

Ik heb politieke wetenschappen en bestuurskunde gestudeerd aan de Universiteit Leiden. Op dit moment ben ik in dienst van Universiteit Leiden - Campus Den Haag en gedetacheerd bij het Montesquieu Instituut te Den Haag. Ook ben ik docent bij het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Als mijn promotor treedt prof. dr. Jouke de Vries op, wetenschappelijk directeur van Campus Den Haag en hoogleraar Bestuurskunde.


 
Laatst Gewijzigd: 18-06-2013