Saskia Gras

Vrijplaats voor de kunsten – De Haagse vrije academie 1947-1982

In oktober 1947 kondigde Livinus van de Bundt (1909-1979) de oprichting van de Haagse Vrije Academie aan. Hij hekelde het bestaande normatieve onderwijs aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, waar klassikaal en naar de natuur werd gewerkt. Daarom stichtte hij, samen met enige gelijkgezinden, als tegenhanger een eigen academie, waar hij individueel, persoonsgericht onderwijs zou bieden. In kunstenaarskringen rond Van de Bundt leefde het idee dat aan de bestaande kunstacademie het individu, de vrije ‘authentieke’ geest onvoldoende tot zijn recht kwam doordat de leerling zich daar aan een vaststaande lesopbouw diende te houden en moest toewerken naar vooraf bepaalde artistieke doelen. Aan Van de Bundts academie zou daarom een artistieke uiting die voortsproot uit fantasie en verbeelding van groter belang zijn dan een perfect getekend perspectief of een correcte weergave van anatomische verhoudingen. Bovendien wilde Van de Bundt kunstenaars opleiden, die zich niet in ivoren torens zouden terugtrekken. De leerlingen zouden met hun creativiteit en kunst een tegenwicht moeten bieden tegen de technische wetenschappen, die naar zijn mening slechts vernietiging teweeg gebracht hadden.

De onderwijsvisie van Van de Bundt kon niet op bijval rekenen vanuit het traditionele kunstonderwijs. Inspecteurs uitten de vrees dat bij een dergelijke subjectivistische houding  algehele maatschappelijke ontsporing het gevolg zou zijn. Twee opvattingen over beeldend kunstonderwijs stonden aldus tegenover elkaar. Enerzijds een resultaatgerichte, klassiek-academische opvatting, die de optisch natuurgetrouwe afbeelding nastreefde en uitging van objectieve, toetsbare normen voor kunst; anderzijds de vrije opvatting, die het subjectieve werken ‘van binnenuit’ propageerde. De ‘vrije’ ideoloog was van mening dat alleen een dergelijk vrij beeldend kunstonderwijs mogelijkheden bood tot creatieve vergezichten. De eerste, klassiek-academische opvatting is al vaak onderwerp van onderzoek geweest; de tweede, vrije opvatting nog niet. In mijn onderzoek wordt het effect van de vrije onderwijsideologie van Livinus van de Bundt op werk en leven van zijn leerlingen bestudeerd. De centrale onderzoeksvraag van mijn studie luidt:

Welke effecten hebben de vier kernpunten van de onderwijsideologie van de Haagse Vrije Academie, te weten het streven naar maximale persoonlijke ontplooiing, de vrijheid van kunstopvatting, een drempelloos toelatingsbeleid en het ontbreken van eindnormen gehad op het werk en het leven van de opgeleide kunstenaars?

De vrije onderwijsideologie leefde vooral onder de eerste twee directeuren, Livinus van de Bundt en George Lampe (1921-1982). Daarom is het onderzoek afgebakend van 1947, het jaar van oprichting, tot 1982, het jaar van overlijden van George Lampe. Van de Bundt stelde de ideologie op, Lampe bouwde hem verder uit. Van de Bundt en Lampe veronderstelden dat hun onderwijsvisie een meerwaarde met zich mee zou brengen voor hun leerlingen. Hun hypothese was dat hun leerlingen naast een opleiding in de beeldende kunsten een sociale attitude en maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden meekrijgen. Een hypothese die tegenovergesteld was aan die van de inspecteurs van kunstonderwijs, die maatschappelijke ontsporing voorzagen. Verantwoordelijkheid of ontsporing: in dit onderzoek wordt geanalyseerd in hoeverre de hypothese van Van de Bundt en Lampe klopte.

Vóór de Tweede Wereldoorlog bestond er al een voorloper van de Vrije Academie, de Vrije Studio (1933-1942). Het onderzoek naar de Vrije Studio moet gezien worden als een studie naar de voorgeschiedenis van de Vrije Academie. De organisatie van deze studio vormde in zekere zin een blauwdruk voor die van de Vrije Academie.

Om de centrale onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden werden drie deelvragen geformuleerd, namelijk op inhoudelijk, instrumenteel en contextueel terrein. In de eerste plaats werd de vraag gesteld naar de precieze inhoud van de onderwijsideologie van de Vrije Academie, in de tweede plaats kwam de vraag naar de onderwijspraktijk aan de orde: hoe pakte de ideologie uit in de praktijk? In de derde plaats was de contextuele vraag van belang: hoe kon de onderwijsideologie van de Vrije Academie geplaatst worden te midden van andere onderwijsideologieën?


Literatuur

Bij de bestudering van het veld van onderzoek werd duidelijk dat het onderwerp in de literatuur onderbelicht was gebleven. Er is veel gepubliceerd over kunstonderwijs, maar weinig over het subjectief gerichte onderwijs dat uitging van een vrije kunstopvatting en zelfontplooiing. Dat heeft enerzijds te maken met de modernistische afbakening van het begrip academie. Door die beperkende afbakening behoorde - historisch gezien - het breed toegankelijke kunstonderwijs, waar bovendien niet volgens objectieve maatstaven getoetst werd, niet tot het domein van het ‘hogere’ academische kunstonderwijs en waren de vrije academies tot op heden nauwelijks onderwerp van  onderzoek. Anderzijds heeft het gebrek aan aandacht voor subjectief kunstonderwijs te maken met de traditionele historische benadering van de rol van het Bauhaus, die eenzijdig de invloed van de toegepaste kunst en industriële vormgeving belichtte. Daarmee is een belangrijke kant van het kunstonderwijs vergeten en heeft er decennialang nauwelijks reflectie plaatsgevonden op een aantal aspecten van deze kant van kunstonderwijs. Immers: terwijl het aspect van vrijheid van kunstopvatting sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw geïncorporeerd is in de curricula van de kunstacademies, maakten de principes van toetsbaarheid, brede toegankelijkheid en het ontbreken van eindnormen lange tijd geen onderdeel uit van het debat over kunstonderwijs. Daarom is het zinvol de effecten te bestuderen van de vorm van kunstonderwijs die al deze aspecten tegelijk omvatten.

Stand van zaken

Na literatuuronderzoek is allereerst het Vrije Academie-archief bestudeerd en geanalyseerd en aanvullend ook deelarchieven van de Nederlandse Montessori Vereniging, de Haagse Academie van Beeldende Kunsten en de Amsterdamse Rijksakademie. Vervolgens zijn betrokkenen van de Vrije Academie, die als sleutelfiguren aangemerkt konden worden, ondervraagd. Daarmee konden in hoofdzaak de deelvragen beantwoord worden. Voor de beantwoording van de hoofdvraag zijn interviews met oud-leerlingen de belangrijkste bron. In totaal zijn tot nu toe 26 personen benaderd; er zal nog een aantal interviews volgen.

Op dit moment ben ik bezig met het schrijven van de tekst. Daarbij ga ik uit van een chronologische driedeling: deel I behelst de vooroorlogse voorgeschiedenis, deel II de periode van het directoraat van Livinus van de Bundt, deel III de periode onder George Lampe. In elk van deze delen komen de deelvragen en de hoofdvraag aan de orde.

Wie ben ik

Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd in leiden met als specialisatie hedendaagse kunst en architectuur. Momenteel ben ik werkzaam als docente kunstgeschiedenis in onder andere Museum Swaensteyn in Leidschendam-Voorburg en Museum Rijswijk, en als free-lance publiciste en medewerkster aan diverse tentoonstellingen. Mijn medewerking aan de tentoonstelling ‘De Nieuwe Ploeg – artistieke werkgroep in Voorburg 1951-1959’, waarvoor ik een publicatie schreef, wekte mijn interesse voor de Vrije Academie.

Promotor

Mijn promotor is Prof. dr. W.H. Willems, hoogleraar Sociale Geschiedenis, Centre for Modern Urban Studies, Universiteit Leiden, Campus Den Haag. Ik word vanaf begin 2012 in mijn onderzoek begeleid door dr. Adriaan in ’t Groen van het Centrum Regionale Kennisontwikkeling van de Universiteit Leiden, Campus Den Haag. Hij heeft mij op inspirerende wijze geholpen de probleemstelling van mijn dissertatie scherp te stellen en loodst mij op lastige momenten door het proces.

 

Prof. dr. Wim Willems

Prof. dr. Wim Willems

 


Contact

saskiagras@hccnet.nl

 
Laatst Gewijzigd: 22-07-2014