Rolmodellen

Het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme (CTC) van de Campus Den Haag presenteert de literatuurstudie 'Voorbeeld doet volgen? Rolmodellen van (radicaliserende) moslimjongeren in Nederland'.

De studie werd vervaardigd door de tijdelijk aan het centrum verbonden sociaal-psychologe, mevrouw K.A. (Karolien) Buurman, onder leiding van prof.dr. B.G.J. (Bob) de Graaff. De studie werd financieel mogelijk gemaakt door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb).


In deze literatuurstudie komen achtereenvolgens aan de orde:

  • de vraag wat rolmodellen eigenlijk zijn en wie in beginsel als zodanig 
    functioneren;

  • de vraag wie als rolmodellen fungeren voor (radicaliserende moslim) 
    jongeren, in het bijzonder van Marokkaanse en Turkse origine

  • de vraag naar mogelijkheden van inzet van rolmodellen ten behoeve 
    van deradicalisering

  • en ten slotte de mogelijke beleidsimplicaties


De adolescentie, waarin iemand zijn identiteit vormt, is bij uitstek de levensfase waarin rolmodellen van betekenis kunnen zijn. In het hoofdstuk over de rolmodellen van moslimjongeren in Nederland wordt geconcludeerd dat jongeren zeer uiteenlopende idolen hebben: sporters, muzikanten en filmsterren, maar ook ouders, leraren, jongerenwerkers en succesvolle ‘peers’. Daarin lijken zij niet te verschillen van autochtone jongeren. Turkse en Marokkaanse jongeren melden een gebrek aan rolmodellen in de ‘buitenwereld’. Zij zouden graag meer voorbeelden zien in de politiek, of ‘op de stoel bij Oprah’.

Vooral meisjes verwijzen naar vrouwen die het maken in de maatschappij met hun ‘handicaps’ (hoofddoek, geen handen geven) en dus een combinatie vinden tussen het ver schoppen en een goede moslima zijn. Vooral jongens identificeren zich meer expliciet met moslims in de politiek en geven aan hier meer behoefte aan te hebben. Wat religieuze voorbeelden betreft staat, vooral onder studenten en jongvolwassenen, de profeet Mohammed aan kop, direct daarna volgen ouders, broers, zussen en andere familieleden. Verder blijken ook docenten een grotere invloed te hebben dan mensen uit de entertainmentindustrie.

Vooral ‘gewone’ mensen lijken dus invloed te hebben op de jeugd. Daarbij valt vooral de invloed van de ouders erg op. Deze is groter dan die van de vrienden, wat verrassend is, aangezien doorgaans wordt aangenomen dat de invloed van ouders in deze leeftijdsfase afneemt en die van vrienden en leeftijdsgenoten erg toeneemt. Vanuit hun culturele achtergrond lijken familiewaarden bij moslimjongeren belangrijker te zijn waardoor hun ouders meer invloed hebben.

Daarnaast fungeren ouders in sommige gevallen als negatieve rolmodellen: zij laten de positie zien die de generatie van nu niet wil innemen in de maatschappij. Terwijl ouderen vaak het behoud van de eigen cultuur belangrijk vinden, hebben jongeren vaak sterk de neiging tot (gedeeltelijke) aanpassing. Statusverlies van de ouders in combinatie met een religieuze afstand draagt in veel gevallen bij tot de generatiekloof.

Specifiek voor radicale en radicaliserende jongeren wordt vastgesteld dat mensen uit de entertainmentindustrie nauwelijks als rolmodel fungeren. Radicaliserende jongeren lijken ver van deze sterren af te staan en het aanbidden van idolen wordt door velen als haram (verboden) beschouwd.

Ouders zijn vaak een negatief rolmodel voor dergelijke jongeren en zij hangen veeal een fundamentelere vorm van de Islam aan dan hun opvoeders. Vrienden, groepsleden en gelijkgestemden op internetchatrooms en forums fungeren echter wel als rolmodel. Ook charismatische predikers en religieuze leiders die deskundig zijn op het gebied van de radicale islam verdienen respect.

Vooral personen die hun ‘oppervlakkige’ westerse levenswijze hebben opgegeven staan hoog in aanzien, misschien ook de reden waarom bekeerlingen populair lijken te zijn. De reguliere imam staat echter ver af van de belevingswereld van de radicale jongeren. Verder zijn de belangrijkste ideologen van de radicale islam rolmodellen, evenals helden en martelaars van de jihad (Osama bin Laden en Mohammed Bouyeri zijn erg populair).

Vrij algemeen wordt gedacht dat het zinvol zou zijn om bekende voetballers, muzikanten, soapacteurs, schrijvers en andere succesvolle ‘stijgers’ van allochtone afkomst in te zetten in de strijd tegen radicalisering. Met behulp van deze voorbeelden zouden jongeren een positievere sociale identiteit ontwikkelen waardoor zij minder vatbaar voor radicalisering zouden zijn.

Ook het betrekken van de ouders en geestelijk leiders is een belangrijk agendapunt in de politiek en het sociaal beleid. Degenen die zich in een begin- of middenstadium van radicalisering bevinden identificeren zich echter niet met dergelijke idolen. Vele van hen beschouwen muziek als haram, net als sommige andere vormen van westers entertainment. Ze hebben een afkeer van democratie; dus ook populaire politici zullen weinig invloed hebben.

De invloed van geestelijk leiders is niet eenduidig. Niet alle leiders leggen gewicht in de schaal en de boodschap dat jongeren prima een moslimidentiteit kunnen hebben binnen een democratische samenleving komt ook niet altijd binnen bij veel extremisten. Reguliere imams hebben weinig invloed. Moderne islamitische voormannen als Tariq Ramadan of bepaalde populaire televisiepredikers hebben soms effect, maar worden door radicalen vaak weggezet als ‘afvalligen’ omdat hun positie te gematigd is en sommigen in hun ogen lijken te dwepen met hun popsterrenstatus.

De meest effectieve rolmodellen lijken vooralsnog vanuit de eigen groep te komen. Het effect van de inzet van ex-radicalen biedt hoopvolle vooruitzichten, maar vooral de zelf gekozen rolmodellen uit de directe omgeving lijken van doorslaggevende invloed te zijn: ouders, leraren en andere naasten.

 
Laatst Gewijzigd: 02-12-2011